‘Heb jij je schoenen al ingepakt?’
Kemal zwijgt, en slentert heen en weer over het balkon van hun driesterren hotel. Hij kijkt uit over de zee en slaat weinig acht op zijn vrouw die binnen de koffers aan het pakken is. Ze trekt de balkondeur verder open.
‘Kem, waar zijn je schoenen, die nette?’ Hij wijst ze aan, ze staan op het balkon te luchten.
‘Daar heb je ze zelf neergezet’ verwijt hij haar zacht. Ze grijpt ze en loopt weer naar binnen.
‘Schiet op Kem, we hebben niet de hele dag, over een half uur staat de taxi voor.
‘Ja ja ja’.
Hij kijkt nogmaals naar de zee. De zee die blauw is als de ogen van een meisje. Drie jaar lang hadden ze gespaard, samen, drie jaar lang om naar deze zee te kijken, en nu had de zee hem verscheurd van verlangen. Hij stapt geërgerd de drempel over. Kim komt uit de badkamer met een handdoek en een paar grijze badsloffen van het hotel. Ze propt ze in de laatste koffer. ‘Die gooien ze toch weg’ zegt ze, en klikt de koffer dicht.
In het vliegtuig kijkt Kemal kijkt naar de wolken. Nederland komt steeds dichterbij, waar zijn schoonmoeder hen vast al staat op te wachten.




















